<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text>
	<title>Lustige Witwe met veel vreugde gespeeld door Hoofdstad Operette</title>
	<p>Door LUC KNODLER</p>
	<p>Voorstelling: Die Lustige Witwe door Hoofdstad Operette. Solisten: Marga de Boer, Jan Handerson, Ton Hofman, Germaine Compier, Anita Heins, Jacco van Renesse, Lily Loerkens, Antoni Wink en anderen. Regie: Alexander Pichler; choreografie: Gerhard Senft; decor: Jan van Hemert; muzikale leiding; Martin Malzer. Gezien: 8/9 Stadsschouwburg, Amsterdam. Herhalingen tot en met 12/9, daarna elders in het land.</p>
	<p>De Hoofdstad Operette is haar veertigste seizoen ingegaan met een bijzonder degelijke opvoering van de operette Die Lustige Witwe van Franz Léhar. Na een reeks voorstellingen in Amsterdam zal</p>
	<p>dit beroepsgezelschap — hier het enige in zijn soort — met deze productie diep het land intrekken om zelfs ook op te treden in zalen die daarvoor eigenlijk ongeschikt zijn. Maar de populariteit van operette is nu eenmaal wijd verbreid en dat brengt verplichtingen met zich mee. Tegen die achtergrond gezien heeft het dan ook geen zin met vorm en inhoud te experimenteren, al was het maar omdat een bij uitstek kostbaar muziektheater als operette (en musical) zichzelf moet terugverdienen. Er wordt alom naar herkenbaarheid gevraagd en niet naar, bijvoorbeeld, een in het Parijs van 1880 bijkans losgeslagen weduwe die veel wegheeft van mannenverslinders als Nana van Emile Zola of Lulu van Alban Berg. En Graaf Danilo, de tegenspeler van de zeer gefortuneerde</p>
	<p>weduwe, lijkt in de verte dan wel op Mozarts Don Giovanni en zijn vrolijke secondant Njegus op Leporello, zulke accenten zouden te veel de aandacht van prachtige meezingers als Vilja, oh Vil ja afleiden. Deze muziek is zo happy-end-gevoelig, dat zij nauwelijks andere voorstellingen toelaat. De mezzo-sopraan Marga de Boer en de tenor Jan Handerson voldoen in de rol van respectievelijk de weduwe Hanna Glawari en Graaf Danilo geheel en al aan de ijzeren wetten van de operette. Zij beschikken beiden over een voortreffelijke stem en het juiste acteertalent. Nu moet gezegd dat Handerson het relatief minder moeilijk wordt gemaakt dan Marga de Boer. Handerson heeft alle speelruimte en weet die na meer dan 300 keer Danilo gespeeld te hebben, optimaal te benutten. In de wandelgangen wordt hij de opvolger van Johan Heesters genoemd, zozeer gedraagt hij zich als een grand seigneur. De rol van de weduwe daarentegen is in de visie van de Weense regisseur Alexander Pichler tamelijk statisch; wanneer zij op zeker moment voor haar volkse aard van weleer uit moet komen verloopt die verandering van humeur nog niet altijd even natuurlijk. De ervaring leert echter dat zulke oneffenheden al gauw teniet zijn gedaan, als tenminste het begeleidende ad hoc-ensemble spoedig soepeler leert reageren en meer aan de stemming tegemoet durft te komen die een operette eigen is. Wat dat aangaat staat de Duitse dirigent Martin Malzer nog wel het een en ander te wachten. De kracht van de Hoofdstad Operette is dat zij haar functie en plaats kent. Zodoende is zij wederom in staat geweest een cast te engageren die zeer hecht is en een grote spelvreugde uitstraalt. Het bewijs daarvan is in de derde acte de Parijse nachtclubshow met can-can en al, ook al zo aantrekkelijk gekostumeerd en al even mooi in decor gezet. Het middelpunt van deze wervelende show van choreograaf Gcrhard Senft is zonder twijfel de sopraan Germaine Compier die niet alleen een zeer goede stem blijkt te hebben, maar ook de kwaliteiten van een levensechte showgirl. Compiers tegenstander, de tenor Ton Hofman, is nog geen jeune premier in ware zin; hij moet het vooralsnog hebben van zijn zeer welluidende stem. Jacco van Renesse lijkt, bijgestaan door Anita Heins en Antoni Wink, als de vrolijke Njegus de rol van zijn leven te spelen. Samen met Jan Handerson draagt hij deze veelbelovende produktie.</p>
</text>