<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text>
<title>DE VLIEGENDE SCHOTELS ZIJN GELAND</title>
<p>Onlangs wijdden wij in deze kolommen enige aandacht aan het geruchtmakende boek „De vliegende schotels zijn geland” van Desmond Leslie en ® George Adamski, waarin beide schrijvers beweren, dat de vliegende scho- &apos;I tels inderdaad bestaan en dat zij zelfs contact hebben gehad met mensen j van een andere planeet. Wij noemden het toen een van de interessantste pu- g blicaties, die op het gebied van de vliegende schotels tot nog toe zijn ver- ® schenen, wat uiteraard niet inlioudt, dat wij beweren dat de in dit boek d vermelde gegevens geheel juist zijn. ^</p>
<p>Adamski ontmoet bewoner nel van Venus Hü TTET MEEST BELANGWEKKENDE en interessante deel van het boek (uit- dei gave W. P. van Stockum en Zoon) is het wa tweede gedeelte, waarin George Adamski m£ in een tweetal hoofdstukken vertelt over of zijn ontmoeting met een bewoner van nei Venus en de gesprekken die hij met dit mE wezen voerde (en waaruit wij bij ge- als brek aan ruimte slechts brokstukken geven): ee] „Het was Donderdag 20 November 1952, om ongeveer half één ’s middags, dat ik m£ voor het eerst persoonlijk contact had de. met een mens Uit een andere wereld. Hij dr| was naar de Aarde gekomen in zijn ruimteschip. een vliegende schotel. Hij noem- djr de het een verkenner. De ontmoeting had plaats in de Call- Pl&lt; fornische woestijn, 17 kilometer van De- en sert Centre in de richting Parker in Ari- aai zona. k&quot; Het was kort na twaalven. Betty Bailey ho&gt; en Betty Williamson waren nog foto’s aan hij het nemen, toen wij geronk van vliegtuigmotoren hoorden. Het was een gewoon twee-motorig toestel, blijkbaar op een routinevlurht. Wij keken het toestel na, toen het bijna recht boven onze hoofden zijn tocht voortzette en een stip werd in de verte. Plotseling, als één man draaiden wij ons om en keken naar de dichtstbijzijnde bergrand, waar juist het vliegtuig overheen gevlogen was. Hoog in de lucht en zonder enig geluid te maken. bevond zich een reusachtig sigaarvormig, zilverkleurig luchtschip, zonder vleugels of andere uitbouw. Heel langzaam kwam het in onze richting; dan scheen het te stoppen en bleef doodstil in de lucht hangen. Op het eerste gezicht leek het op de romp van een reusachtig schip, terwijl de zonnestralen helder weerkaatsten van zijn onbeschtlder- &quot; de flanken. De twee verrekijkers, die wij bij ons hadden, gingen snel van hand tot hand, zodat iedereen het goed kon zien. Het was een onvergetelijk gezicht. On- | danks alle opwinding voelde ik, dat dit toch niet de juiste plaats was. i Wij besloten dichterbij een bergketen te rijden en het lukte om tot op zestig meter van mijn bedoelde plekje te komen. FR WAREN NAUWELIJKS vijf minuten T_ verlopen, na de auto was weggereden, X. toen mijn aandacht werd getrokken door een lichtflits in de hemel en yrijwel onmiddellijk daarna verscheen een prach- 71</p>
<p>tig kleip luchtvaartuig, zwevend in het 1 zadel tussen twee bergtoppen en in stilte 1 landend op een beschutte plek ongeveer 800 meter van mij vandaan. Het verdween i niet helemaal onder de rand van de berg. Slechts het onderste deel ver- ( dween, terwijl het koepelvormige boven- j deel boven de rand zichtbaar bleef, ook , voor het overige deel van mijn gezel- : schap, dat in de verte stond te kijken. , Ik zocht het» snel in de lens van mijn . telescoop en zo snel als ik kon maakte s ik zeven foto’s. 1 Plotseling werd mijn droom onderbro- &lt; ken en viel mijn aandacht op een man, &lt; die stond aan de Ingang van een ravijn 1 tussen twee lage heuvels, ongeveer vier 1 honderd meter van mij vandaan. JJIJ WENKTE MIJ en, ik vroeg me af , wie hij kon zijn en waar hij van- i daan kwam. Toen ik dichterbij kwam, i beving me een vreemd gevoel en ik werd ! op mijn hoede. Ik keek om, om mij ervan 1 te overtuigen, dat wij ons beiden in het 1 gezicht van mijn metgezellen bevonden. Uiterlijk was er in het geheel geen reden hiervoor, want de man zag eruit als : ieder ander en ik zag, dat hij iets kleiner was dan ik en veel jonger. Er waren alleen twee in het oog vallende ver- 1 schillen, die ik zag, toen ik dichterbij kwam. 1. Hij droeg éen ongewoon soort broek. Het leek veel op een skibroek. 2. Hij had lang haar. Nu voor het eerst besefte ik, dat ik stond tegenover een man uit het heelal — een menselijk wezen afkomstig uit een , andere wereld. Hij was ongeveer 1.65 lang en woog, volgens onze maatstaf, ongeveer 135 pond.</p>
<p>Ik schatte hem ongeveer 28 jaar, hoewel het mogelijk is. dat hij veel ouder was. ^ Hij had een rond gezicht met een bijzonder hoog. voorhoofd; Grote kalme grijs-groene ogen. die naar buiten toe een j beetje schuin stonden; zijn jukbeenderen ( waren iets hoger dan bij een blanke, maar niet zo hoog als die van een Indiaan of een Oosterling; een fijn gevormde . neus en een mond van gemiddelde grootte met prachtige witte tanden, die blonken als&apos; hi) lachte of sprak. Zijn haar was zandkleurig en hing in golven tot op j. zijn schouders. Zijn kleding bestond uit een soort overall. Het was chocolade- t kleurig en had een nogal ruim bovenlijf j, met een nauwsluitend hoog boord zon- ,. der kraag. Zijn schoenen waren rood- j bruin. Zij waren gemaakt van een soort r geweven stof, maar anders dan zijn kle- r ding, want dit leek veel op leer. . Plotseling beseffend, dat de tijd omvloog en ik niets te weten kon komen door hem aan te stóren, vroeg ik waar hij vandaan kwam. Zijn enige antwoord was een licht hoofdschudden, waarmee hij aangaf, dat hij mijn woorden niet kon begrijpen.</p>
<p>Daarom begon ik, om mijn eerste vraag 1 aan hem duidelijk te maken, mij het 1 beeld van een planeet voor te stellen. Tegelijkertijd wees ik naar de zon. die &apos; hoog aan de hemel stond. Aan zijn ge- 1 laatsuitdrukking zag ik, dat hij mij be- ‘ greep. Daarop trok ik met mijn vinger : een cirkel om de zon, daarmee de baan aanduidende van de planeet. die het j dichts bij de zon is en ik zei: „Mercurius”. Ik trok een tweede cirkel voor de &lt; volgende baan en zei Venus”. Bij de der- i de cirkel zei ik „Aarde”, en wees naar de grond waarop wij stonden. Toen wees ik op hem met een vraag In , mijn ogen en in mijn geest. Hij begreep me nu uitstekend en met een brede glimlach wees hij op de zon; trok een baan, trok nog een baan, zichzelf daarop aanrakende met zijn linkerhand gebaarde hij enige malen met zijn rechter-wijsvinger , in de richting van de tweede baan. Ik begreep hieruit, dat de tweede planeet zijn woonplaats was, dus ik vroeg: „U bedoelt, dat U van Venus afkomstig | bent”. Dit was de derde keer, dat ik het woord „Venus” had uitgesproken met betrekking tot de tweede planeet en hij knikte bevestigend met zijn hoofd. Toen sprak ook hij: „Venus”. Zijn stem was iets hoger dan die van een volwassen man. Daarop vroeg ik: „Waarom komt U naar de Aarde?” Ook deze vraag ging gepaard met gebaren en grimassen en</p>
<p>g met beelden, die ik mij vormde, zoals trouwens al mijn vragen. Ik herhaalde 1 iedere vraag minstens twee keer om e zeker te. zijn, dat hij de betekenis ervan . begreep. Ik herhaalde ook de antwoor. den, die hij mij gaf om zeker te zijn, dat r ik het inderdaad begreep, n Hij maakte mij duidelijk, dat zij met :t goede bedoelingen op de Aarde kwamen, ï- Ik herinnerde mij het grote luchtschip, e dat we eerst hadden gezien en vroeg ■- of dat het moederschip was. Hij antir woordde met een knik. Nu stelde ik mij in mijn verbeelding n een aantal van deze kleine toestellen P voor, binnenin het grote luchtschip en ik zag aan zijn uitdrukking, dat hij deze beelden opving en ik vergeleek dit grote luchtschip met onze vliegdekschepen. Wederom een hoofdknik. Ik vroeg dan ook, &apos;r of men het grote ruimteschip een moederschip zou kunnen noemen. Hij scheen het woord „moeder” te begrijpen, want ’• zijn hoofdknik ging nu vergezeld van ’n ® begrijpende glimlach. Vervolgens vroeg 1 ik of onze vliegtuigen, die op het moederschip hadden gejaagd en boven mijn ‘i hoofd hadden gecirkeld, toen ik een foto n nam van zijn vliegende schotel, hen had s verdreven. Ook dit bevestigde hij. j Hij maakte mij duidelpk, dat de aang drijving berustte op de wet van aantrekn hing en afstoting, doordat hij een steentje opnam en weer van zich afwierp; hij nam het weer op en maakte een gebaar van beweging. Om te laten zien, dat ik zijn uitleg begreep, pakte ik op mijn beurt twee steentjes en legde ze dicht bij elkaar, alsof er één magnetisch was, terwijl ik de andere wegtrok, het zo omschrijvende, toen ik het woord „magnetisch” uitsprak. Nadat ik dit een paar keer gedaan had, antwoordde hij, terwijl hij het woord „magnetisch” herhaalde. Daarop zei hij: „Ja”. „Komen ruimtemensen alleen van Venus? Of zijn er ook nog andere planeten of zonnestelsels, waar zij vandaan komen?” vroeg ik en ook hier weer kostte de gedachte-overbrenging enige moeite. Hij verklaarde, dat men naar de aarde komt van andere planeten in ons zonnestelsel, maar ook van planeten uit andere zonnestelsels. Ik had iets dergelijks reeds lange tijd vermoed, en was dus niet verbaasd, maar ik wilde weten: „Is het reizen door het heelal een alledaagse gebeurtenis voor mensen uit andere werelden? En is het gemakkelijk?” Hij sprak het woord „ja” als antwoord op beide vragen. Ik vroeg hem vervolgens of er wel eens Aardse mensen waren meegenomen in ruimteschepen, Hij glimlachte breed en knikte min of meer bevestigend, waaruit ik begreep, dat hij hierover niet gaarne sprak. Slechts één vraag had ik hier nog over, die van een speciaal geval, dat ik kende. Hij beantwoordde deze vraag, maar waarschuwde mij tegelijkertijd, hierover te zwijgen. Ik kan direct wel zeggen, dat hij mij een aantal dingen vertelde, die ik op dit moment niet kan publiceren. Opnieuw van onderwerp veranderend, vroeg ik hoeveel andere planeten er bewoond zijn. Hij duidde aan, dat heel veel planeten in het heelal bewoond worden door menselijke wezens zoals wij. Toen wilde ik meer in het bijzonder weten, hoeveel er in ons zonnestelsel zijn. Hij beschreef een grote boog met zijn hand in een weids armgebaar, als wilde hij zeggen, dat ze allemaal bewoond waren. Mijn volgende poging was erop gericht om te weten te komen of de mensen overal net zo gevormd zijn als</p>
<p>wij. Zijn antwoord op deze vraag was zeer beslist, waaruit bleek, dat hij hiervan goed op de hoogte was en het werd mij duidelijk, dat de gedaante overal ongeveer gelijk is. Hij trachtte meer nog uit te leggen, maar ik kon niet ontdekken of er op verschillende planeten verschillen in grootte, kleur en spierweefsel zijn of dat er op iedere planeet een mengelmoes daarvan voorkomt, zoals op de Aarde. Daarop wenkte hij mij en wij wandelden naar de wachtende schotel. Het was een prachtig klein toestel meer gelijkend op een grote zware glazen klok dan op een schotel. Toch kon ik er niet meer doorheen kijken dan door de glazen stenen, die soms voor moderne kantoor- of huizenbouw worden gebruikt en waardoor meer licht binnenkomt dan door massieve muren. Het was doorschijnend en van een zeer bijzondere kleur. Het toestel zweefde ongeveer een halve meter boven de grond een eindje van me af vlak bij de helling van de heuvel. De helling van de heuvel was zo steil, dat de voorkant of in ieder geval de kant, die naar mij was toegekeerd wel bijna twee meter boven de grond zweefde. Het landingsgestel, dat bestond uit drie grote bollen, kwam half onder de rand uit en ik had het idee, dat dit een veiligheidsmaatregel was voor het geval zij werkelijk moesten landen. De windstoten waren af en toe vrij hard en deden het toestel heen en weer wiegen. Wanneer dit gebeurde, veroorzaakte de weerkaatsing van de zonnestralen op de wand van het toestel prachtige gekleurde lichtstralen als van een roodkleurig diamant. Later bleek, dat ook mijn zes metgezellen, die in de verte de wacht hielden, dit hadden opgemerkt. Het bovendeel van het toestel was koepelvormig en had een soort zware spiraalrand rondom, half in de zijwand ingebouwd onderaan de koepel. Ook deze rand was gloeiend, alsof er een kracht doorheen liep. Er waren ronde patrijspoorten in de zijwand, echter niet rondom, want ik zag, dat vlak boven één van de bollen van het landingsgestel de wand dicht was. Of dit boven de andere bollen ook zo was, weet ik niet, daar ik niet om het toestel ben gelopen. De patrijspoorten moeten van een ander soort stof geweest zijn of van een andere dikte, want zij waren helder en doorschijnend. De onderste buitenrand van de schotel had dé vorm van een flens, glanzend maar niet zo glad als de rest. Het scheen te bestaan uit een aantal lagen, die leken op traptreden. Mijn metgezel uit het hemelruim waarschuwde mij niet al te dicht bij te komen, hij bleef ook op een afstand staan. Ik moet toch iets dichterbij gestaan hebben dan hij, want toen ik mij ofhdraalde om iets tegen hem te zeggen, kwam mijn rechter schouder even onder de buitenrand van de flens en onmiddellijk werd mijn arm omhoog gerukt en bijna tegelijkertijd weer naar beneden geslagen langs mijn lichaam. De kracht was zo groot, dat, hoewel ik de arm nog wel kon bewegen, hij totaal gevoelloos was toen ik van het toestel wegliep. Op het moment zelf maakte ik mij niet zo bezorgd over mijn arm als wel over de negatieven, die ik nog in de zak van mijn jasje had aan die kant Ik greep et naar en stak ze in mijn andere jaszak. Toen ik ze in mijn hand had, stak de bezoeker van Venus de zijne uit en beduidde mij, dat hij er gaarne één hebben zou. Ik weet niet, of hij besefte, dat de magnetische kracht van zijn toestel de film tot op zekere hoogte kon hebben vernield. Terwijl hij dit deed, gaf hij mij te verstaan, dat hij mij de houder zou teruggeven, maar ik begreep niet hoe, wanneer of waar hij dit doen wilde. Ik vroeg hem of ik een tochtje met zijn toestel mocht maken, maar hij schudde zijn hoofd Toen vroeg ik, of ik soms even binnen een kijkje mocht nemen, maar met een hartelijke glimlach maakte hij mij duidelijk, dat dit op het moment niet mogelijk was, omdat hij vertrekken moest. Ik was teleurgesteld, maar bedacht tegelijkertijd, dat ik hem weer zou zien en dat er zich dus nog wel eens een gelegenheid zou voordoen. Toen het toestel in beweging kwam, zag ik twee ringen onder de flens en nog een derde rond een plaat in het midden. Deze binnenste ring en de buitenste schenen te draaien, met de klok mee, terwijl de middelste in tegenovergestelde richting draaide. Vanwege mijn bezoekers belofte om mijn houder terug te brengen, bleef ik voortdurend waakzaam. Dertien Decem| ber 1952, des ochtends, merkte ik plotseling, dat er in de buurt iets aan de hand was, doordat er straaljagers over mijn hoofd raasden. In de verte zag ik | een lichtflits, die direct weer verdween. Ik zei tegen een paar mensen, dat er in j de verte iets vloog en dat het wél eens r de verkenner kon zijn, die ik in de . woestijn had gezien, wellicht wilde hij mij de houder terug brengen. En inderdaad, ik zag hem geruisloos in : mijn richting zweven — een regenboog-</p>
<p>kleurig glasachtig toestel, dat de stralen van de morgenzon in schitterende kleuren weefkaatstel Geboeid bleef ik kijken. Ik voelde een leegte, waar mijn maag behoorde te zijn en rillingen van spanning liepen mij over de rug. Toen hij het dal boven kwam, ongeveer 800 meter van mij af en op een hoogte van 100 tot 150 meter, scheen hij stil in de lucht te blijven zweven. Bij zijn nadering tot op nog geen 30 meter afstand werd een van de patrijspoorten geopend, daaruit een hand gestoken, en dezelfde houder, die mijn vreemde vriend op 20 November had meegenomen, viel op de grond. Het stond nu vrijwel vast, dat de verkenner dezelfde was als degene, die ik in de woestijn had gezien. En de wuivende hand wees erop, dat de man, die de houder had laten vallen, mijn vriend was geweest. Mijn uitgelatenheid hierover is te begrijpen. Weer raakte ik in een dromerige toestand en gevoelde mij alsof ik in twee werelden tegelijk leefde. Het toestel vloog intussen over een smal ravijn op het domein in de richting van de voet van de in het Noorden gelegen bergen. Het daalde tot onder de toppen van de bomen en kwam vlak boven een bron en een hut in het hoger gelegen deel van het landgoed. Daar werd het opgemerkt en zelfs gefotografeerd door mensen, die ik tevoren had gewaarschuwd. • • • Op mijn verzoek kwamen een paar regeringsambtenaren om het verslag van mijn ervaringen aan te horen; zij luisterden aandachtig, maar toonden niet de geringste verbazing. Evenmin trokken zij de geloofwaardigheid van mijn mededelingen in twijfel, noch stelden zij mij vragen. Het waren zeer intelligente mensen en het kan heel goed tot hun taak behoren om geen reactie te laten blijken bij wat hun wordt gemeld. Mijn indruk van hun houding was echter, dat zij reeds soortgelijke berichten moesten hebben ontvangen. Zij namen een paar foto’s van het toestel en een afdruk van het neergeworpen negatief met zich mea”.</p>
<p>Schets van de Venus-man, zoals die door een van de getuigen door een verrekijker werd gezien.</p>
<p>Sigaarvormig ruimteschip, dat op 1 Mei 1952 werd gefotografeerd. Het zou dienen als moederschip van de vliegende schotels, die naar de aarde komen.</p>
<p>Deze vliegende schotel werd door Adamski gefotografeerd. Het toestel was vervaardigd van een lichtuitstralend metaal. De bollen aan de onderzijde dienen als landingsgestel.</p>
</text>