<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text>
<title>Sluitpost</title>
<p>gen ziektekosten lijdt al enige jaren aan le kwaal van de niet sluitende begrotingen. De moeilijkheid van dit soort instellingen is (gelukkig!), dat men dit niet met geleend jeld kan goed maken. Men moet de uitgaven bestrijden uit de lopende inkomsten. Tot nu heeft heeft men echter kunnen beschikken over een reservefonds, waaruit de tekorten konden worden bestreden. Het reservefonds kan daarvoor echter niet meer dienen, omdat het tevens de functie van schommelfonds moet vervullen. Houdt men daarvoor 60 miljoen aan, dan blijkt het reservefonds eerder te klein dan te groot, zodat het niet langer gebruikt kan worden om de nadelige saldi te dekken. Enige jaren geleden bevatte dit fonds nog 150 mln. gulden. De Sociaal-Economische Raad, althans een commissie daarvan, heeft vorige week over de hoogte van de premie der verplichte verzekering advies uitgebracht. De premie bedraagt 4,2 pet. en dit moet volgens de Raad over 1957 zo blijven, omdat zoveel mogelijk nieuwe lastenverzwaringen voor het bedrijfsleven vermeden moeten worden. De Raad voegt er aan toe’ dat de instellin§en &lt;!ie zich met de verplichte verzekering bezig houden er dan maar , iS) voor moeten zorgen, dat de uitgaven omlaag gaan. Dit laatste is zo vanzelfsprekend als tweemaal twee vier is. In enkele regels wordt ook een oplossing daarvoor aan de hand gedaan. Met name is de aandacht van de commissie gevallen op de honoraria van enkele groepen medewerkers (specialisten, tandartsen en apothekers). Over deze honoraria wordt sinds geruime tijd met de ziekenfondsen onderhandeld en de commissie zegt, dat een grote mate van terughoudendheid moet worden betracht. Met name moet worden voorkomen, dat de verschillende groepen van medewerkers zich met hun claims aan elkaar gaan optrekken. (Ook over de honoraria van vroedvrouwen en heilgymnasten-masseurs wordt onderhandeld). Op het eerste gezicht lijkt dit alles nog al vanzelfsprekend. Wie zou willen verdedigen, dat er met de honoraria geen zuinigheid moet worden betracht en dat niet moet worden voorkomen, dat haasje over wordt gespeeld? Bekijkt men de zaak wat nauwkeuriger dan wordt de indruk echter geheel anders. De commissie van de Sociaal-Economische Raad heeft zich namelijk in het geheel niet de moeite genomen na te gaan of de honoraria zodanig zijn, dat verdere herziening overbodig is. Het gaat hier niet om het achterbalcon van de tram, maar om een commissie, waarvan gefundeerde uitspraken verwacht mogen worden. TTET TWEEDE PUNT IS, dat hier kennelijk gespeeld wordt met de gedachte de honoraria van een aantal mensen tot de sluitpost van de begroting te maken. Er is een tekort en nu moet men dat maar vinden in de honoraria van enkele groepen medewerkers. Dit is natuurlijk dwaasheid. Tekorten behoren op verantwoorde wijze te worden weggewerkt, men zal moeten zoeken, wat als het ware gemist kan worden en op welke wijze er rationalisatie kan worden toegepast. Dat daarbij de honoraria ook moeten worden betrokken spreekt vanzelf,, maar het is onverantwoordelijk „met name” de honoraria naar voren te halen. Op dit punt kan men een aardige vergelijking maken. Gesteld eens, dat men zou zeggen: Nu de landbouw, althans een gedeelte, voornamelijk door oorzaken op ander terrein een moeilijke tijd doormaakt, dient de oplossing te worden gevonden, door met name voor de landarbeiderslonen een grote mate van terughoudendheid te betrachten en in het bijzonder moet worden voorkomen, dat de verschillende groepen van landarbeiders hun claims aan elkaar optrekken. Zou er een mens in Nederland zijn die veronderstelt, dat deze uitspraak zou kunnen komen uit de koker van de Sociaal-Economische Raad? We zitten met dit laatste in de kern van het probleem. De Raad vertegenwoordigt het georganiseerde bedrijfsleven. Bij iedere suggestie die over de organisatie en de verstrekkingen van de verplichte ziekenfondsverzekering wordt gedaan, gaat er in jj| de Raad wel ergens een waarschuwend lampje branden. Men spreekt dan van aantasting van verkregen rechten. Maar de honoraria van de medewerkers der ziekenfondsen, vallen daarbuiten. Geen van de groepen der medewerkers is in de SociaalF.conomische Raad vertegenwoordigd. De Raad ziet artsen, apothekers, vroedvrouwen, heilgymnasten enz. niet als behorende tot het „bedrijfsleven”. De honoraria van deze mensen zijn voor de Sociaal-Economische Raad het terrein van de vrije jacht, het eigen gevogelte loopt daar geen gevaar en het is op die manier gemakkelijk tot een eenstemmig advies te komen. Men zal zich herinneren, dat in 1955 na jarenlange onderhandelingen en na een tijd van grote spanning eindelijk overeenstemming werd bereikt over de honoraria van de huisartsen-medewerkers. Het was ook toen het georganiseerde bedrijfsleven dat probeerde de overeenstemming tegen te houden en we hebben ons toen veroorloofd er op te wijzen, dat in de tegenwoordige maatschappij het gevaar bestaat, dat ieder, die niet tot de enkele grote groepen behoort in de verdrukking komt. Het schijnt, dat de geschiedenis zich herhaalt, met dit verschil overigens, dat nog voor resultaten in de onderhandelingen over de honoraria worden bereikt, het „bedrijfsleven” het afweergeschut in werking heeft gebracht. Hoewel overbodig, is het misschien goed op te merken, dat in de honoraria van de medewerkers verdisconteerd zijn de aanzienlijke beroeps- en bedrijfsonkosten en de salarissen van hun bedienend personeel en assistenten. — De operettevereniging ODES zal in K en W. op zondag 24 februari de operette „Ein Walzertraum” opvoeren, muziek Oscar Strauss. — Op 26 februari wordt in Pulchri een filmavond gehouden, uitgaande van de ver. „Onze Vloot”.</p>
</text>