<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text>
	<title>INGEZONDEN STUKKEN.</title>
	<p>Mijnheer de Redacteur! In het «Soerabajaasch Handelsblad” van 4 Juli jl., no. 153, is opgenomeu eenhootdartikel,luidende: «Bijdragen tot de kennis van het grondbezit inde Minahassa.” Dat stuk is mijns inziens zoo bijzonder geschikt, om hen, die niet ingewijd zijn inde geheimen der Minahassa, te misleiden, dat ik, die in staat ben om dit te voorkomen, niet het stilzwijgen mag bewaren. Bijaldien in uw blad van 1 Mei jl. no. 102 niet was opgenomen het stuk van den heer Van Resteren, getiteld : «Een bijdrage tot de kennis van Nederlands koloniale politiek”, zoude ik u niet lastiggevallen hebben; thans vermeen ik, in het belang der zaak, die in het rekest der hoofden van de Minahassa aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ontwikkeld, u beleefd te moeten verzoeken, om èn een plaatsje te geven aan dit schrijven, èn in uw blad over te nemen het hoofdartikel uit het «Soerabajaasch Handelsblad”, hierboven bedoeld. Het bevat, zooals u zal zijn gebleken, niets dan een vonnis van den Raad van Justitie te Amboina, dato 22 April 1879. Wel komen daarin drukfouten voor, doch het stuk is duidelijk genoeg. Drie punten daarin moeten de aandacht trekken: 10. de inconsequentie van den landraad te Menado; 20. de groote waarschijnlijkheid, dat Staatsblad 1877, no. 55, oorzaak was, dat in November 1878 aan den majoor van Langowang werd geweigerd, wat in Februari 1876 aan den majoor van Tondano-Toulian was verleend; 30. de teleurstelling voor den appellant, dat de Raad van Justitie weigerde het ten rekeste verzochte, omdat de termijn van appèl reeds was verstreken, en zulks in weerwil appellant zich beklaagde, dat de Landraad hem belette tijdig appèl aan te teekenen. Inde eerste plaats zij medegedeeld, dat de beschouwingen van appellant over de zoogenaamde domeinverklaring der Minahassa in zijn rekest aan den Raad van Justitie geheel misplaatst zijn, want de quaestie van zijn grond, het land Noöngan, heeft daarmede niets te maken. Het districtshoofd van Langowang, Lourens Roeland Sigar, is inlander en behoort tot de inheemsche bevolking der Minahassa; hij heeft dus het recht gronden te ontginnen, zooveel hij wil, en heeft hij gronden ontgonnen, onverschillig wanneer, dan kunnen die nimmer op grond van Staatsblad 1877, no. 55, aangemerkt worden een deel uitte maken van het domein van den Staat; integendeel, juist dat Staatsblad verbiedt dat. Heeft hij gronden vóór 1875 van inlanders gekocht, gelijk hij in zijn rekest beweert, dan zal de Landraad te Menado hem het recht daartoe zeker niet betwist hebben, want de majoor is inlander, en Staatsblad 1875, no. 179, is dus op hem niet van toepassing. Herleest men thans het hoofdartikel uit het «Soerabajaasch Handelsblad”, dan zal men erkennen, dat men hoogst voorzichtig moet zijn met bijdragen tot de kennis van het grondbezit inde Minahassa, die van daar aan dagbladen worden gezonden. Doch er is meer: De hier bedoelde majoor van Langowang, Lourens Roeland Sigar, vroeg mjj in 1876 zeer herhaaldelijk en met zeer veel aandrang, hem te schenken dezelfde voordeelen, als, vóórdat ik het bestuur aanvaardde, verleend waren aan zijn ambtgenoot, den majoor J. Gerangan van het district Tondano-Toulian. Hij verzocht mij namelijk door den Landraad te worden bevestigd inden eigendom van zijn land Noöngan, om dat perceel daarna aan Europeanen te kunnen verhuren. Duidelijk legde ik hem uit, waarom, ofschoon zoowel het een als het ander aan zijn ambtgenoot was toegestaan, ik dezelfde voordeelen aan hem moest weigeren; het hielp niet; hij, zoowel als de heer Veen, die dien grond wilde huren, verlangden, dat ik hun verzoek inwilligde en dat op grond dat de directie van binnenlandsch bestuur had geschreven, ten aanzien van het land Masarang : «er bestaan geen bepalingen, die dergelijke huur en verhuur van gronden verbieden.” Ik bleef weigeren en de heer Veen ging zich beklagen over mijn handelingen te Batavia. Ik werd ter verantwoording geroepen, doch door de Regeering geheel in het gelijk gesteld. De zaakwas uit en ofschoon ik nog ruim een jaar resident in Menado was, ondervond ik van den majoor van Langowang, in zake zijn land, geen moeilijkheden, van welken aard ook. Tot mijn verbazing lees ik thans uiteen vonnis van den Raad van Justitie, niet alleen dat diezelfde majoor van Langowang, eenige maanden na mijn ontslag zich over denzelfden grond wendde tot den Landraad te Menado, maar ook, dat hij zelfs in appèl kwam bij den Raad van Justitie te Amboina overeen afwijzende beschikking van den Landraad. In dat appèl beroept hij zich op de beschikking van den Landraad te Menado, inde eerste maanden van 1876 genomen, in zake het koffieland Masarang van den majoor van Tondano-Toulian J. Gerungan. Over die treurige quaestie en over de ergerlijke verhuur van dat land wensch ik thans niet uitte wijden. Ik wil alleen maar aanteekenen, dat ik weigerde te doen wat vóór mijn tijd gedaan is, en dat mijn opvolger, toen hij den majoor van Langowan een afwijzende beschikking deed toekomen, blijkbaar oordeelde en handelde gelijk ik. Mij rest nog bekend te stellen : 10. dat niet waar is het bericht, als zoude de beschikking in zake Masarang zijn genomen onder het praesidium van den toenmaligen resident mr. S. C. J. W. Van Musschenbroek. 20. Dat vóór Februari 1876 de Landraad te Menado nooit een beschikking heeft genomen, als toen is geschied. 30. Dat die beschikking in het bijzonder en de verhuur van Masarang in het algemeen oorzaak waren, zoo niet van alle, dan toch van de grootste moeilijkheden. Onder dankbetuiging voor de opneming dezer regelen in uw blad heb ik de eer, mijnheer de redacteur, mij met achting te noemen : UwEd Dw Djenaar ’sGravenhage, A. H. Swaving, 22 Aug. 1879. Oud-resident van Menado.</p>
</text>
