<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text>
	<title>Kunst en Letteren TIVOLI: DER VETTER AUS EATAVIA.</title>
	<p>Fritz Ilirsch had nog een drietal dagen der weck beslag gelegd op het nieuwe Tivoli- theater om den Rotterdammers nogmaals drie zijner meest gespeelde operettes voor te zetten. • De laatste daarvan was „Der Vetter aus Batavia&quot;, de bekende klucht door Max Kempner Hochstad onder den naam van „Der Vetter aus Dingsda&quot; uitgegeven, maar die door de mooie muziek van Èduard Künneke eerst recht populair geworden is. &apos;t Meest frappante in deze muziek is, dat al het frivole dat men in dit soort gezongen blijspelen nog al eens aantreft, vermeden werd, ook al ontbreekt het de partituuf niet aan vroolijkheid. Maar het gedragene lie4. waarvan het onvergetelijke „Ich bin ja ein armer Wandergesell&quot; met zijn gevoeligen inslag het geheel domineert treft het meest. Het ensemble heeft weer prachtig spel te zien gegeven en de toeschouwers die voor den tijd van &apos;t jaar betrekkelijk talrijk waren, hebben zich buitengewoon geamuseerd. Friedel Dotza was bekoorlijk als immer, de gepersonifleerde onbezorgde, vroolijke, guitige jeugd, Fritz Hirseh een onbetaalbare idiote vrijer, de dames Vantier en Rillo de heeren Walter Triebel en Paul Darden in zang en actie zeer prijzenswaardig, de regie on aankleeding goed verzorgd, de kapelmeester Libizowski woekerend met het materüaal dat bom tor beschikking stond. O.</p>
</text>
