<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text>
	<title>HERVÉ DE EERSTE FRANSCHE OPERETTEN-COMPONIST DOOR MR. G. KELLER</title>
	<p>Als een zieltje zonder zorg, een vroonjk deuntje fluitend, zwierf op een mooien lentemorgen van het jaar 1839 een ongeveer veertienjarige knaap door de omstreken van het ten Zuiden van Parys gelegen Bicêtre. Hy was op stap gegaan om een baantje te zoeken, doch het heerhjke weder had hem naar de vrije natuur gelokt en zonder zich om de zorgen des levens druk te maken, dwaalde hy doelloos rond. Daar hoorde hy in de verte orgelklanken en, er op af gaande, zag hy de kerk van een groot gesticht, uit welker open deuren de orgelmuziek naar hem toegolfde. Maar de dienst liep juist ten einde, want toen hy het hek van het om het gebouw gelegen park was genaderd, zweeg het instrument. Niettemin stapte hy de thans ledige kerk binnen, klauterde, alsof hy aan een plotselinge ingeving gehoor gaf, de trappen van het orgel op en bevond zich plotseling neus aan neus voor een ouden orgeltrapper, die op het punt stond huiswaarts te keeren. De man viel haast om van schrik en zyn verbazing werd er niet minder op, toen de onverwachte bezoeker hem dringend verzocht nog even voor hem te trappen. Hy stribbelde aanvankelijk heftig tegen, doch kwam ten slotte tot de onderstelling dat hy den nieuwen organist voor zich had, die de plaats zou innemen van den ouden pater Laurentius, wiens stoffelyk overschot men enkele weken geleden ten grave had gebracht. Hy begon dus weer te trappen, de knaap zette zich op de orgelbank en weldra klonk door de kerkruimte een flinke jongensstern, een „o Salutaris,&quot; aanheffend, terwijl de zanger zich met groote bedrevenheid op het orgel begeleidde. Geen wonder, dat dit geïmproviseerde kerkconcert den pastoor uit zyn sacristie lokte. Vol verbazing riep hy naar boven: „Wie neemt daar de vryheid op het orgel te spelen?&quot; „Wie roept daar?&quot; vroeg de knaap aan den orgeltrapper. „De pastoor van onze kerk. Daar zit een standje op! Gelukkig is zijn eerwaarde een brave man een beste kerel.&quot; Eenigszins gerustgesteld, doch toch nog wat bedremmeld, antwoordde de knaap, van de bank opstaande: „Dat ben ik geweest, eerwaarde.&quot; „En wie is die ik?&quot; „Ik ben Florimond Ronger uit St. Roch, en ik had....&quot; „Nu ja, kom maar eerst beneden, in de sacristie Wil ik wel verder met jé praten.&quot; Florimond deed wat hem was gezegd en in de sacristie vernam hy, dat hy in de kerk van het gesticht voor oude mannen en krankzinnigen te Bicêtre was binnengegaan en het wel zeer onbehoorlyk van hem was zich zoomaar aan het orgel te zetten. Doch de pastoor bleek inderdaad een beste kerel te zijn. Hy stelde den flinken, voor zyn leeftyd goed ontwikkelden knaap op zyn gemak en weldra vertelde deze, hoe hy op zoek was naar een betrekking, daar hy- en zyn moeder, die trachtte met wasschen de kost te verdienen, gebrek leden. „Maar heb je dan orgelspelen geleerd?&quot; „O, ik leer allang muziek, van meneer Elwart van het Conservatoire heb ik piano- en orgelles gehad, en nu leert meneer Auber, ook van het Conservatoire, me compositie.&quot; „Misschien weet ik wat voor je. Laat je nogeens op het orgel hooren.&quot; . Florimond liet zich dit geen tweemaal zeggen, fen de pastoor kreeg dra de overtuiging, dat er in den knaap werkeiyk een musicus school. Het einde van dit begin van een levensgeschiedenis was, dat Florimond Ronger het baantje van organist van Bicêtre kreeg tegen een jaarwedde van 150 Francs plus kost en inwoning, terwyl zyn moeder waschvrouw van het gesticht werd op een loon van 240 Francs per jaar, ook weer met kost en inwoning. Florimond bleek zich al spoedig geheel aangepast te hebben aan dé anders niet zoo aantrekkeiyke omgeving van een krankzinnigengesticht. Hij kon uitnemend overweg met de patiënten, en nadat hem proefondervindeiyk was gebleken, dat de meeste zielszieken buitengewoon gevoelig zyn voor den kalmeerenden invloed der muziek, gaf hy eerst geregeld orgelconcerten, organiseerde vervolgens, met goedvinden van de directie, een soort van muziekschool, waarop de patiënten de beginselen der toonkunst, koorzang enz. leerden en toen kwam hy voor den dag met het denkbeeld zijn leerlingen een vaudeville te doen opvoeren. De leiders van het gesticht dachten aanvankelyk, dat het ook in zyn bovenverdieping niet pluis was, doch ten slotte gaven zy zich gewonnen en Ronger bleek goed gezien te hebben: een vaudeville van Scribe, waarby hyzelf luchtige en lustige muziek had geschreven, werd opgevoerd en alles liep zoo glad van stapel, dat de geneesheeren er overbluft van stonden te kyken. En nog vele malen daarna werd in het krankzinnigengesticht van Bicêtre vaudevilles en muzikale grapjes ten gehoore gebracht onder leiding van den organist-componist Ronger. En de patiënten voeren er wel by. Doch onze Florimond had hoogere aspiraties. Ondanks zyn drukken werkkring had hy gelegenheid gevonden zich verder in de toonkunst te bekwamen en op twee wyzen had hy succes van zyn studie. In de eerste plaats slaagde hy voor het examen voor de benoeming van een organist aan de St. Eustatiuskerk te Parys, welke betrekking hy kon vervullen naast die van organist van Bicêtre. In de tweede plaats deed hy zyn eerste schuchtere schreden op het gebied der operette. In eenige schouwburgen in de buitenwyken trad hy op als zanger in operettes en hy oogstte daarmede groot succes. Ronger toonde zich een geboren acteur en een uitstekend zanger. Maar by dit emplooi» kon hy moeilyk onder eigen naam optreden en met goedvinden van een zyner leerlingen, den markies d&apos;Hervé, nam hy diens naam als schuilnaam aan en als Hervé is hy in zijn tyd een der populairste figuren van Frankryk, speciaal van Parys geworden. Want hij bleek niet enkel een uitstekend komiek te zyn, doch daarnevens een allergeestigst componist, wiens luchtige, guitige muziek, welke hy zeer vaak op eigen tekst componeerde, by het publiek van die dagen verbazend insloeg. Intusschen bleef hy organist, gedurende enkele jaren nog te Bicêtre, langer tyd aan de St. Eustatiuskerk. En niemand had erg in zyn dubbele positie, daar hy zich, zoo noodig, liet vervangen door zyn vrouw, een zyner begaafdste leerlingen, waarmede hy in 1844 in het huwelyk was getreden. wy, menschen van de twintigste eeuw, kennen de muziek van Hervé niet meer. Een halve eeuw geleden maakte zij echter nog repertoire. De Fransche opera te &apos;s-Gravenhage heeft o.a. groot succes mogen boeken met „Le petit Faust,&quot; een allergeestigste parodie op den „Faust&quot; van Gounod, die ook nu nog wel zou inslaan, en in den schouwburg van Prot te Amsterdam hebben we met een talryk publiek zitten genieten van de zorgen verdry vende vrooiykheld, welke sprak uit de oolyke kunst van „La Femme a Papa,&quot; „Mademoiselle Nitouche&quot; enz. Laatstgenoemd werkje is dezer dagen bij wyze van noviteit op de firn gebracht. Zou het publiek nog pleizier hebben in de lustige, pittige muziek, welke Hervé onder den grappigen tekst schreef? Onze componist is zeer vaak zyn eigen librettist geweest. Wanneer we goed geteld hebben, heeft hy van de dikke honderd operettekluchten, die van zyn hand zyn verschenen, er zeker meer dan dertig zelf ook geschreven en zy zyn niet de slechtste. Hervé was een geestig man. Hy bewees zulks in de eerste plaats als acteur, daarna als tekstdichter. Hy kon allergrappigst zyn, op het flauwe af, maar al liep er weleens iets van St. Anna onder, obsceen of zelfs maar dubbelzinnig was hy nooit. Die eer mogen we hem nageven! Maar wat hy zoo met vlotte pen op het papier wierp, was doorzaaid met woordspelingen en woordgrapjes, zoodat zyn libretti veelal onvertaalbaar zyn. Soms stond hy voor moeiiykheden, waarvan de oplossing ook weer voor zijn spiritueele talenten pleitte. In het begin van het Eerste Keizerryk bestonden nog reglementaire bepalingen betreffende de schouwburgen, welke herinnerden aan de regeering van Lodewyk XIV. Zoo was bepaald, dat er in den schouwburg, welken Hervé had gepacht en waarop hy zyn eigen werk deed opvoeren, „Lés Folies Nouvelles,&quot; niet meer dan drie personen op het tooneel mochten verschynen. Nu had hy een muzikale klucht gecomponeerd, „Agamemnon ou le Chameau a deux bosses&quot; getiteld. Ten einde aan die malle bepaling te ontkomen, liet hy een koor van Grieksche soldaten achter èen met krygers in volle wapenrusting beschilderde coulisse zingen. Maar als by ongeluk liet de machinist de coulisse een halven omzwaai maken, zoodat de toeschouwers een blik konden slaan op dat er achter geschaarde koor en er dus feitelyk een oogenblik heel wat meer personen op de planken waren dan de verordening toeliet. Maar dat was zoogenaamd enkel by ongeluk! Even later verscheen, terwyl Agamemnoh en Clytemnestra op het tooneel waren, een kameel van bordpapier, waarin twee man waren verborgen, die moesten zorgen, dat de kameel over de planken kuierde. Op een goed oogenblik splitst zich evenwel het dier in een voor- en een achterdeel, welke hooggaand ongenoegen met elkander krygen, de beide hoofdpersonen mengen zich in het debat en men krijgt een kwartet te hooren ondanks de positie. In een andere klucht laat hy een ridder en zyn geliefde den man van de beminde onthoofden. Dat blykt evenwel niet voldoende te zyn om hem voor goed te doen zwygen. Hy staat op, met het hoofd onder den arm, toont door gebaren, dat hÜ nog steeds tot de levenden behoort, maar zyn zang klinkt op uit het souffleurshok!</p>
	<p>Hervé is een tydgenoot geweest van Offenbach; zy waren zelfs bevriend en eerstgenoemde is weleens als zanger opgetreden in werk van Offenbach. Doch wat betreft het vaderschap van de opera bouffe, welke men doorgaans aan Offenbach teekent, heeft hy ancienniteitsrechten. Immers, wanneer we goed rekenen,tdagteekenen de werken van Offenbach van omstreeks 1855, terwijl Hervé, zyn werk ten dienste van Bicêtre buiten rekening gelaten, reeds in 1848 met zyn eerste humoristische operettes (,Don Quichotte et Sancho Panca,&quot; „Les Gardes Francaises&quot; enz.) voor den dag was gekomen. Offenbach heeft evenwel zyn ouderen collega als het ware overstemd. Zyn muziek dringt zich meer opt is luidruchtiger, is ook banaler, grover dan die van Hervé. Het is ook niet altyd even gedistingeerd wat deze op muzikaal gebied heeft gepresteerd, doch het canailleuse, dat er uit zoo menige melodie van „La belle Hélène&quot; of uit „Orphée&quot; ons toeklinkt, vindt men niet terug in Hêrvé&apos;s kunst; zij is een beetje bescheidener en heeft zich dientengevolge op den achtergrond laten dringen.</p>
	<p>Hervé was een humorist, wanneer hy als tekstdichter werkte, componeerde, of wel als zangeracteur voor het voetlicht verscheen. Als acteur moet hij goud waard zyn geweest, onverstoorbaar zelfs by de malste grappen, ook in de meest kritieke oogenblikken steeds over zyn tegenwoordigheid van geest beschikkende, daarby &quot;n onverbeterïyk acteur en begiftigd met een ietwat donker getimbreerde tenorstem, die zich by uitstek leende voor het genre.</p>
	<p>Maar er school in den Hervé, die met zy*n grappen de menschen deed gieren van het lachen, niet enkel te Parijs doch ook b.v. te Londen, waar hy een belangryke reeks opvoeringen heeft gegeven, waarvoor hy zelfs speciale operettes heeft gecomponeerd, ook nog een stuk van den ouden Florimond Ronger. Als kerkorganist had hij aanvankelyk gehoopt carrière te maken, maar zijn lot bracht hem op andere paden. De kerk bleef hem evenwel na aan het harte liggen. Dat biykt niet alleen uit het feit, dat hy, toen hij als Hervé reeds naam had verworven, als Ronger organist by de St. Eustatiuskerk is gebleven, maar nog sterker uit de by zonderheid, dat hy aandrang gevoelde om tusschen de bedrijven door religieuze muziek te componeeren. En dat moet niet zoo heel weinig geweest zyn! We hebben vergeefs getracht een of ander stuk kerkmuziek van Ronger onder de oogen te krygen, kunnen dus de muzikale waarde er van niet beoordeelen en moeten volstaan met over te schryven, wat zyn biograaf Louis Schneider daaromtrent vermeldt. Deze zwygt evenwel over den inhoud dier werken en volstaat met een globale opgave van zyn werk op dit gebied. Hy noemt dan: Missen met groot orkest, een driestemmige Missa brevls met orgelbegeleiding, een Offertorium „Super flumina Babylonis&quot; in vier gedeelten, met groot orkest, tien „O Salutaris,&quot; een „Domme Salvum fac&quot; met groot orkest, een „Ave Maria&quot; in A-dur, voor sopraan, tenor en orgelbegeleiding, een „Agnus Dei&quot; voor vier stemmen met begeleiding, een „Agnus Dei&quot; i» Bes voor tenor, koor en orgel, verder kerkgezangen, religieuze koren enz.</p>
	<p>Een aanzieniyke bagage voor iemand, die slechts bij wijze van tydpasseering zich de weelde kon veroorloven serieuze kunst te componeeren en onwillekeurig komt de vraag by ons op, of er, wanneer Ronger by het begin van zyn loopbaaneen anderen weg had kunnen inslaan, er geen groot componist uit zou zyn gegroeid, die zyn muzikale inspiratie tot hooger werk had kunnen opvoeren dan tbt het produceeren van grappen en koddlgheden, welke nu vrijwel zyn vergeten. Het lot heeft echter anders over hem beschikt.</p>
</text>
