<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text>
	<title>Vondeling</title>
	<p>In dit maffe milieu ontluikt de liefde van Johann en Erika. Ze zegt bet ergens ook letterlijk: „De streek te moeten verlaten, waar ik mijn jeugd heb doorgebracht, en dan die pas ontloken liefde...&quot; Het tweetal ontmoet elkaar op de markt, op de dag dat Johann na 25 jaren het vrome en „stoere&quot; klooster verlaat, ï. dus enige wereldvreemdheid zij hem vergeven. „De belevenissen volgen elkaar snel op,&quot; verzucht hij. Een vooruitziende blik want even later moet de argeloze toeschouwer concluderen dat het met Johann heel anders is gesteld dan zijn toenaderingspoging tot Erika doet vermoeden. Hij vindt een vriend. *&apos;„Ik. voel een nieuwe tijd breekt voor mij aan, Met mooie dromen; Laat nu die tijd maar komen,&apos; Dit wordt nooit zonde (!), Wat ik hier&apos;heb gevonden,... Een vriend.&quot; Deze buffo-partij, de xriend en waard Franz en diens tegenspeelster, de soubrette Christa, komen in het stuk het best uit de verf, beiden zijn met een heel wat betere tekst uitgerust en bovendien zeer duidelijk gekarakteriseerd. Terug naar het verhaal: De makers stevenen inmiddels welgemoed en onbevangen op regelrechte incest af. Johann en Gravin Erika zijn broer en zus. Dat weten zij nog niet, net zo min als de plaatselijke bevolking maar die weet voortdurend van niks. Johann is door zijn moeder en grootvader, de kasteelbewoners dus, ooit te vondeling gelegd bij het klooster, aangezien een kind hun op dat moment niet geheel convenieerde. Erika&apos;s moeder was namelijk niet getrouwd. Een huwelijk van Johann en Erika wordt op het nippertje voorkomen, de librettist blijft in het vage of er nou iets is gebeurd of niet. Als Johann refereert aan „Die nacht, die ik met jou heb doorgebracht,&quot; rechtvaardigt dat enige veronderstellingen. Erika weet intuïtief (maar dat zou bijna te veel van het goede zijn) dat er iets aan de &quot; knikker is. „Mijn hart voelt angsten om zich heen,&quot; zingt zij&apos; droef.&apos; „Jij bent waar ik van hou,&quot; hadden ze bij de aanvang van het tweede bedrijf nog samen gezongen in de achtertuin van de gravin,&apos;bij wie Johann&apos;zich een positie als kunstschilder heeft verworven. OokJohann koestert vermoedens: v„Zo&apos;n vreemd gevoel. Zo dicht bij haar,&apos; Die ik&apos;niet kon,&quot;. ontstijgt hem, een taal die weinig van*doen heeft met7*het 3 Haarlemse ABN, doch; het laatste woord moest rijmen op r.zon&quot;^ Aan het slot van het tweede bedrijf lijkt „Stille Liefde&quot; een vroegtijdig einde te • Wouter Goedhart ais Johann en Jo Koeleveld ais Gravin Erika Steinbach, het zwaar beproefde liefdespaar in „Stille Liefde&quot;, de operette van - Andreas Köcfc die door de Haarlemse Operettevereniging Hulsbergen wordt gebracht. Op de achtergrond, afwachtend dynamisch, het bal-; let. tussen hen kan worden gaat Johann terug naar zijn Vader Abt en vertrekt Erika naar een nonneniloos ter. Dat is dan geregeld, denk je, maar nee hoor. Die arbeiders hebben toch niet voor niemendal in de wijngaard staan zwoegen en een ijzeren logica wil dat je wat je zaait ook moet oogsten, dus volgt er een derde bedrijf met een luidruchtig wijnfeest, waarin de waard zijn kokkin in de armen sluit, Johann en Erika hun scheiding nog eens dunnetjes over doen en de Heer nadrukkelijk wordt geprezen om zijn goedheid en oneindige wijsheid. Er wordt herhaaldelijk de loftrompet gestoken over Oostenrijk („Land wat ben je wondermooi, Al in je lentetooi,&quot;) bij zoveel erkenning zullen ze op het Oostenrijks Verkeersbureau tot schreiens toe bewogen raken.</p>
</text>
