<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="articletext.xsd">
<title>COURANT VERTELLING</title>
<p>HET GAT IN DEN DEURPOST. De felle lamp floepte aan en bij haar schel licht maakte Cartwright de fotograaf, een opname van het roerloöze mannenlijf dat op den huik lag, dan van de groote, logge brandkast, ten slotte van de geheele, sombere, laaggezolderde kamer. „Klaar?” vroeg James Drexler de detective ongeduldig. „Klaar!” antwoordde de fotograaf onverstoorbaar, de cassette uit het toestel trekkend en in een zwarten doek wikkelend. Drexler wentelde den dooden, grooten man in zijn zwarte overjas op zijn rug en liet een zacht fluitend geluid hooren. In de keel van den doode gaapte een donkerrood gat. Hij keek dokter Chesterton veelbeteekenend aan en zei, te hard voor de omstandigheden: „Die is raak geweest, dokter. Bekijk me dat eens. Ik ga verder rondneuzen. Maar laat ik u eerst even inlichten! Deze man is de bankièr Arthur Stone. Een half uur geleden, dus om acht uur, is hij hier in zijn eigen werkkamer dood aangetroffen door zijn butler — tusschen haakjes de eenige bediende. Gestoken, dat ziet een kind. En hard ook. Hastings, de butler, heeft dadelijk de pupil van zijn meester gewaarschuwd. De man was kapot van afschuw. Trouwens — het meisje was zooeven nog niet In een toestand om te worden gehoord — totaal overstuur. Plotseling viel hij zichzelf in de rede met den scherpen, snellen uitroep: „Laat liggen dat vloerkleed, Cartwright!” Verschrikt trok dé fotograaf den voet terug, waarmede hij een dikke plooi in het kostbare vloerkleed had willen rechtschuiven. Drexler knielde er naast neder, bezag den plooi aandachtig en keek naaf den dooden man, wiens wijdopen, zwarte oogen even aandachtig de zoldering leken te bestaren. Daarna stond hij op, liep met de handen op den rug rond en vroeg op zijn gewone bruuske wijze aan den brigadier, die er zwijgend bijstond: „De kast werd immers zoo gevonden als. ze nu is?” D ic h t?” „Potdicht,. chef”, antwoordde de politieman. „De kerel die het deed moet overhaast de vlucht hebben genomen — wij vonden zijn tasch mét gereedschappen naast de kast. Hij is binnengekomen door het tuimelraam boven de keukendeur, die op den tuin uitkomt”. Reeds had Drexler de tasch geopend en een voor een de stalen werktuigen ter hand genomen. Hij bromde wat voor zich heen en zei minachtend: „Een vakman van het jaar nul! Dit zijn dingen die op zulk een kast evenveel uitwerking hebben als een tandenstoker op een straatsteen. Rijk, niet waar — mijnheer Stone?” „Dat houdt niet over, chef. Groote verliezen geleden in den laatsten tijd. Speculaties ” „Hij was immers kassier van de Boerenleenbank?” „Ja, chef. En het is maar goed dat de boef die dat smerige werk deed, dat niet wist — in die kast bewaarde hij al het kasgeld”. Drexler hief met een ruk het hoofd op, wilde iets zeggen, bedacht zich en bekeek zeer nauwkeurig de kast, ditmaal met zijn loupe”. „Op een voet afstand van het slot zit een diepe en versche kras, zei hij, zich weer oprichtend. „Toch is die kast splinternieuw. Is u klaar, dokter?” „Ja. Een gemeene jaap, Drexler. En met een krom lemmet in opwaartsche richting toegebracht. Luchtpijp en slagader doorgesneden”. „Met een krom mes?” herhaalde Drexler verbaasd. „Dat is iets nieuws! Een kris of zoo? Een Maleische dolk?” „Dat is heel wel mogelijk. De man is zoowat zeven uur dood”. „En u moet weten dat niemand, noch de butler, nóch het meisje den val heeft gehoord! De inbreker moet wel een hazenhart hebben gehad om weg te loópen, terwijl nu de weg voor hem vrij was, en hij rustig de kast kon openen met de sleutels, die Stone bij zich had. Vreemd dat hij geheel gekleed was om een uur in den nacht, hè? En nu eens het tuimelraam, Irving. Loop je mee?” De brigadier ging hem voor door een smalle gang tot aan de achterdeur van de keuken. De deur zelve was stevig gesloten, maar het tuimelraam er boven hing voorover, open. Aan den- knop van den grendel bovenaan zat nog het ijzerdraad waarmede hij was losgetrokken uit de sponning. Drexler zette een stoel voor de deur, klom er op en bekeek met de grootste aandacht het kleine boorgaatje in den deurpost, waardoor het ijzerdraad was heengestoken. Zijn gezicht stond ernstig en stroef, toen hij van den stoel stapte. Zwijgend ging hij den brigadier voorbij, liep de gang uit, beklom een trap, opende een deur en liep zonder aarzeling toe op een jek vol prachtige, uitheemsche wapens. Hij nam er een krommen dolk met jüweelen versierd uit en woog hem op de hand. „De greep nog klam van het waschtvater,” mompelde hij. Dan opende hij, op de teenen</p>
<p>jopend, een tweede deur en trad in een kleine amer. Een lichte kreet klonk. Bij het venster at een mooi, maar doodsbleek meisje, dat vernhrikt opsprong zoodra zij het gezicht van den ïan zag. Zonder iets te zeggen trad Drexler p haar toe en vroeg ernstig, toch niet onvrienelijk: „W aarom deedt u het, miss Caruhers? Waarom doodde u Stone, die uw oom n voogd was?” Het meisje wrong wanhopig de handen en reunde: „Ik deed het niet met opzet — bij God niet!” „Ik geloof u. Hij struikelde over den rand an het kleed en viel met zijn keel in het wapen at u vasthield en dat met den diamant in de reep de kras maakte in het staal van de brandast, waartegen u leunde. Wat wilde hij?” „Hij wilde vluchten met het geld van de arme oeren. Ik kende zijn plan. Hij.... hij wilde at ik met hem medeging.... hij — had mij ef. Het heette dat hij vanmorgen naar Parijs &apos;as vertrokken. Ik bleef wakker, hoorde gencht en nam.... dat afschuwelijke mes uit het ek. Ik bezwoer hem, van zijn plan af te zien, 1 zouden we straatarm worden. Hij wilde mij uw opzij duwen.... en viel.... oh! Maar hoe - hoe heeft u het vreeselijke toch zoo spoedig oorzien?” „Dat had niet veel om het lijf, miss!” antoordde de detective met een flauwen glimlach. Stone wilde aan een inbraak doen gelooven — ij deed te véél! Als daar alleen maar het gaatje oor het ijzerdraad bij het tuimelraam geweest rare —- het zou genoeg zijn geweest. Want hij oorde het van binnenuit! Het boorgat ras aan de binnenzij iets wijder dan aan den rinkant. Een echte inbreker zou ook andere &apos;erktuigen gebruiken — niet zulken ouderwetchen rommel — en hij zou gebleven zijn! En u miss Caruthers — zult. n sterkte behoeven, k zal u moeten meenemen — maar geen jury a.1 u durven veroordeelen! ” FELIX HAGEMAN. Auteursrecht voorbehouden. — Nadruk verboden.) KUNST. )PERETTE: „SCHAT.... WEET JE WAT”. In het Scala Theater te Den Haag. (Van onzen correspondent). ’s-GRAVËNHAGE, 11 Jan. -— Na eenige &apos;eken „Het witte paard” gehuisvest te hebben, eeft thans de operette „Schat.... weet je wat” an het gezelschap Jacq. van Bijlevelt haar itrede in het Scala-theater te Den Haag geaan. Een goed bezette zaal. heeft de artisten heraaldelijk toegejuicht. Er is vooral smakelijk elachen om de grappen van Jacq. v. Bijlevelt i de rol van majoor Roehus von Fröschlein, en niet al te snuggeren vestingcommandant, ohh Sc^iilthuizen gaf een buitengewoon goede reatie van een stommen, onnoozelen oppasser, &apos;erder speelde Arn. Stanowsky de rol van luisnant Arpad, neef van graaf von Wehtern en oh. de Weerd die van den ouden hofraad. De muziek stond Onder leiding van Adriaan llokland. Een schat van bloemen werd ten Dóneele gedragen. PROGRAMMA ABONNEMENTSCONCERT. AMSTERDAM, 11 Jan. — Het programma an het abonnementsconocert (serie K) van et Concertgebouworkest van Donderdag 12 anuari a.s. (dirigent Eduard van Beinum) iidt als volgt: Kaffee-Cantate, voor zang en orkest, Johann ebastian Bach (eerste uitvoering). Solisten: lélène Cals, Louis van Tulder, Hermann Schey. Een Musikalischer Spass fiir 2 Violinen. &apos;iola, Bass, 2 Hörner, W. A. Mozart (eerste itvoering). Huit Pièces enfantines, twee suites voor klein rkest, Igor Strawinsky. Le Carnaval des Animaux, grande fantasie nnlna&apos;inue. Camille Saint-Saëns.</p>
</text>