<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<text>
	<title>GOOV kleinschalig maar feestelijk en aantrekkelijk</title>
	<p>Gebeurtenis: operette-avond van de Groninger Opera- en Operettevereniging. Plaats: kleine zaal van De Oosterpoort in Groningen. Programma: Franz von Suppé, zang- en spelfragmenten uit „Boccaccio&quot; (vertaling Jan van Luyn); Johann Strauss, zang-fragmenten uit „Die Fledermaus&quot;; Jacques Offenbach, „Salon Pitzelberger&quot; (vertaling Bé Dijkmeijer). Door: de GOOV en het Noordelijk Filharmonisch Orkest. Dirigent: Jan Lameris. Realsseur: Bort R&lt;»hiit</p>
	<p>Sinds de Bluiting van de Stadsschouwburg heeft de Groninger Opera- en Operette Vereniging het met La fille de madame Angot een keer in de grote zaal van De Oosterpoort geprobeerd, maar daar moesten zo veel theatervoorzieningen worden getroffen, dat ook die uitweg op langere termijn een doodlopende bleek te zijn. Vandaar dat de vereniging nu voor het eerst haar heil zocht in de kleine zaal en zich met drie kleinschalige produkties aan die ruimte aanpaste. Opnieuw geënsceneerde en „gemonteerde&quot; fragmenten uit Boccaccio en Die Fledermaus waren grepen uit ouder repertoire, dat op deze manier zinvol werd opgefrist en bijgehouden. Nieuw, zelfs een première voor Nederland, was daarentegen Offenbachs eenacter Salon Pitzelberger in een rijk met passende onzin doorspekte vertaling van Bé Dijkmeijer.</p>
	<p>De kleine zaal leverde nog enkele aanpassingsproblemen op. Toen voor de zangers op een laat moment geluidsversterking nodig bleek, klopten de verhoudingen met het orkest niet meer. Binnen het orkest klopten ze toch al niet: veertien strijkers waren natuurlijk niet opgewassen tegen tien blazers, pauken en slagwerk. Met zo&apos;n gereduceerde bezetting de sprankelende Fledermaus-o\iverture spelen, dat kan eigenlijk niet. Trouwens, de violisten konden het hier en daar evenmin.</p>
	<p>Geestig was de kennismaking met de eenacter van Offenbach met zijn prachtige parodieën op het gekweel van de Italiaanse opera, maar de muzikale spot is nooit grof en zo charmant, dat Offenbach altijd lachers en fijnproevers op zijn hand heeft. Zo&apos;n stuk is moeilijk te regisseren: al te boertig mag het niet zijn, maar de frivole luchthartigheid van een blijspel is in een muzikaal spel met een koorpartij moeilijk te treffen. De regie van Bert Schut bewoog zich daar tussen in. Hij had enkele grappige vondsten, maar het probleem van het koor was niet geheel bevredigend opgelost in de mise-en-scène, die iets minder overdacht en uitgekiend van vormgeving was dan in de selecties van Von Suppé en Strauss. Muzikaal was de uitvoering bij Jan Lameris goed van timing en mooi licht van toon in de soli, duetten en terzetten van Martha Westers, Albert Kamphuis en Jan Stuitje, bij het koor en zeker ook bij het orkest. Henk Willemsen zorgde vooral voor de komische noten.</p>
	<p>Dezelfde solisten en Cees Glebbeek (met een nieuwe, actuele tekst) zongen goed in delen uit Boccaccio, maar daarin speelde het orkest nog minder genuanceerd en waren er nog problemen met de versterking, zodat het de welhaast choreografische regie was die de meeste bewondering trok. In Strauss leek de kooropstelling muzikaal niet onverdeeld gunstig, zong Albert Kamphuis als hoge „tenoriste&quot; een unieke Orlofsky (gewoonlijk een travesti-rol) en liet Martha Westers als soubrette horen, hoe veel meer noten zij nu op haar zang heeft dan jaren geleden, toen zij in Veendam Adèle zong. Waarom de mannelijke gasten op dit met champagne overgoten bal in grijs jaquet waren gestoken was mij een klein raadsel.</p>
	<p>Het programma wordt vanavond in De Oosterpoort herhaald</p>
	<p>RENSKE KONING</p>
</text>
